MaarNormaal nr. 1 artikel 5

 

Amateur en/of professioneel

 

Johan Duijck geeft zijn visie over amateurs en professionele koorzangers.

 

 

"Het leven is te kort om ergens professioneel in te worden" (Ch. Chaplin)

Allereerst een korte situering. Sedert 1973 dirigeer ik ons geliefde Gents Madrigaalkoor. Een echt amateurkoor: 70, 80 gemotiveerde mensen die de muziek, de koorzang liefhebben. Mensen die, als ontspanning na de dagtaak, zich graag een aantal uren per week inspannen om allerlei soorten muziek te ontdekken en concertklaar te maken. Een amateurkoor: waar het gráág met elkaar samenzingen al even belangrijk is als het werken naar een zo goed mogelijk resultaat. Waar de weg even belangrijk is als het doel.

Daarnaast is er sinds een tweetal jaar een nieuwe periode in mijn dirigeeractiviteit begonnen. Sedert 1997 werk ik zo'n twintig weken per jaar met het Vlaams Radio Koor (het voormalig VRT-koor). In februari 1999 werd ik daar tot chef-dirigent (zoals dat heet) benoemd. En ook in Spanje is er professioneel werk op de plank gekomen: als director asociado (in 't Spaans klinkt dat nóg eens zo goed) werk ik een zestal weken per jaar met het Koor van de Spaanse Radio en Televisie te Madrid.

De bedoeling van deze tekst nu is, vanuit het standpunt van een dirigent, een paar ideetjes uit te werken omtrent de werking van beide soorten koren: een amateurkoor enerzijds, een professioneel koor anderzijds. Graag wel eerst twee bedenkingen:

1. Met het dirigeren van allerhande soorten amateurkoren heb ik intussen zo'n 25 jaar ervaring opgebouwd. Ik denk het klappen van die zweep wel te kennen. Daarentegen is de ervaring met professionele koren, alhoewel de laatste tijden zeer intens, nog tamelijk recent. Het zou dus kunnen dat binnen een aantal jaar een nieuwe tekst over dit onderwerp moet geschreven worden. Ik zal dan zeer benieuwd zijn naar het verschil tussen beide teksten (en zo kunnen we nog een tijdje doorgaan).

2. Beide professionele koren waarmee ik nu werk, zijn radiokoren. Alhoewel er meer concerten zijn dan vroeger, blijft een belangrijk deel van de werking afgestemd op studio-opnames. Dat is een zeer specifieke werking: op maandag krijgen we zo'n 20 tot 30 minuten muziek. Van maandag tot donderdag wordt daar dan met man en macht aan gerepeteerd (in het totaal zo'n 12 tot 14 uur repetitietijd). Op vrijdag reeds wordt deze muziek opgenomen voor radio-uitzending of als materiaal voor een cd. De maandag daarop ligt alweer een nieuw pakketje klaar. Het spreekt vanzelf dat het instuderings- en rijpingsproces totaal anders verloopt dan bij "repertoire"-koren (amateur of professioneel).

En nu steek ik echt van wal !

 

L.A.T. (?)

Vanuit een bepaalde optiek zou men twee soorten dirigenten kunnen onderscheiden: een eerste soort vindt zijn grootste sterkte in het, op relatief korte tijd, naar een hoogtepunt in realisatie en interpretatie stuwen van een bepaald repertoire. Een tweede soort is het type van de bouwer. Een koorbouwer, een orkestbouwer. Het langademig, gestaag, consequent opbouwen van een hoe langer hoe betrouwbaarder "apparaat" dat in staat is de meest diverse opdrachten de baas te kunnen. Globaal zou men kunnen stellen dat de eerste soort de ideale gastdirigenten zijn, en dat de tweede soort de eigenlijke chef-dirigenten zijn.

Belangrijk hierbij is dat de verantwoordelijkheid van beide soorten dirigenten fundamenteel verschillend is. De chef-dirigent is verantwoordelijk voor de opbouw en het onderhoud van het "apparaat". De gastdirigent daarentegen kan het zich veroorloven een beetje vrijblijvend tegenover dit "apparaat" te staan: zijn verantwoordelijkheid is beperkt tot het repertoire dat hij zelf brengt.

Wanneer dezelfde dirigent met hetzelfde koor 48 weken per jaar, 5 dagen per week, 4 uren per dag zou moeten repeteren, verdienen zowel hij/zij als de koorleden de hoogste en zwaarste medailles voor doodsverachting en zelfopoffering. Wanneer diezelfde dirigent dat dan nog eens meer dan 26 jaar volhoudt - zoals mijn voorganger aan het Vlaams Radio Koor, Vic Nees - dan krijgt deze heroïek Churchilliaanse allures... Gelukkig ziet de overheid dat vandaag een beetje anders: de afspraak is nu dat de chef-dirigent zo'n 16 tot 20 weken per jaar met het koor werkt, en dat er daarnaast een aantal gastdirigenten met hun lievelingsrepertoire het koor komen verrijken.

In amateurkoren ligt dat aspect doorgaans gans anders. Aangezien het contact tussen koor en dirigent meestal slechts een paar uur per week bedraagt, is het gevaar voor slijtage, vermoeidheid veel kleiner. De nood om regelmatig met gastdirigenten te werken is dan ook veel kleiner. Toch is het ook hier verrijkend af en toe een gastdirigent uit te nodigen : een andere klok, een vernieuwend repertoire, een originele invalshoek, een aangename verpozing.

 

lat

In zijn memoires schrijft de vereerde Georg Solti (een van dé orkestbouwers bij uitstek) dat zelfs een top-dirigent niet tot wonderen in staat is. Zijn taak blijft het trainen, helpen, opvoeden : het bedenken van allerlei pedagogische truukjes om zijn spelers of zangers te laten presteren op het toppunt van hun eigen mogelijkheden : "to the best of their abilities".

Dit is inderdaad het evenwichtsspel waarvoor elke dirigent zich constant geplaatst ziet : de mogelijkheden van zijn mensen aftasten, voelen waar belemmeringen liggen, grenzen proberen te verleggen zonder te forceren. Als een dirigent te weinig vraagt, haalt hij niet het onderste uit de kan, benut hij de potentiële mogelijkheden van zijn mensen onvoldoende. Wanneer hij té constant té veeleisend is, riskeert hij op den duur zowel zijn mensen als zichzelf grondig te frustreren. Zalig beoordelingsvermogen: wat is wanneer bij wie mogelijk? Hoe hoog mag ik de lat vandaag weer leggen?

Hoe hoger de technische mogelijkheden van zijn koorleden, hoe minder de dirigent zich moet bezighouden met het "hoe". Hij moet enkel zelf proberen het "wat" van de partituur steeds beter te begrijpen, aan te voelen, en dat steeds duidelijker, in woord en gebaar, te "vertalen" naar zijn koorleden. Zij hebben dan wel de techniek in huis om dat "wat" te realiseren. Hoe lager de technische mogelijkheden van de koorleden, hoe meer de dirigent zich ook om het "hoe" zal moeten bekommeren; hoe meer hij uit zijn arsenaal aan pedagogische truukjes zal moeten putten om toch het "wat" gedaan te krijgen.

Wat dit betreft, graag een zijsprongetje naar mijn geliefde pianistenwereld. Gedurende twintig jaar heb ik les gegeven aan het Stedelijk Muziekconservatorium te Brugge. Mijn "publiek" bestond overwegend uit jonge mensen van 8 tot 18 jaar. "Amateurs". De pedagogische trukendoos die ik daar heb moeten opbouwen om een aantal mensen toch een béétje deftig al was het maar een paar maten te doen spelen, is me nog steeds van onschatbare waarde als leraar aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Gent, waar mijn "publiek" nu bestaat uit jong-professionelen. Pedagogie: het herleiden van een ogenschijnlijk ingewikkeld technisch probleem tot een eenvoudig basisschema.

De vergelijking is snel gemaakt: ook in de professionele koorwereld ben ik dankbaar voor de ervaring vanuit de amateurkoren. Ook hier is het belangrijk, van zodra iets niet naar wens gaat, een vlugge analyse te maken, een diagnose te stellen, en de ontbrekende treden in de "trap naar perfectie" te bedenken. Gradus ad Parnassum.

 

stem (!)

Techniek is veelzijdigheid. Hoe groter de technische mogelijkheden van een instrumentalist of vocalist, hoe veelzijdiger hij/zij wordt. Het ideaal is dat een instrumentalist of vocalist de meest tegenstrijdige en uiteenlopende opdrachten zonder de minste moeite aankan. Om een voorbeeld te geven: een ideaal professioneel koor, samengesteld uit professionele zangers met een perfecte (dus veelzijdige) techniek, moet in staat zijn van dezelfde compositie x-aantal verschillende uitvoeringen te geven onder leiding van x-aantal dirigenten. Het koor moet in staat zijn volledig te beantwoorden aan het totaal verschillend klankbeeld dat die verschillende dirigenten van hetzelfde werk hebben. (Nog maar eens een zijsprongetje.) Deze evidentie is volledig aanvaard in bijvoorbeeld de pianistenwereld. Anton Rubinstein over de piano: "U denkt, mijnheer, dat dit één instrument is? U vergist zich, mijnheer: dit zijn honderd instrumenten! "Een pianist die techniek heeft, is in staat zijn piano volledig anders te doen klinken in Haydn dan in Brahms dan in Debussy dan in Prokofiev en ga zo maar door. U vraagt hem een Bach à la Gould? Hij poot hem voor u neer. U vraagt hem een Bach à la Bach? Ook dat lost hij in een handomdraai voor u op. U vraagt, wij draaien. Daspastechniek.

Zangers zien het soms anders. Zij wimpelen de eis tot veelzijdigheid nogal rap af met het argument van de specificiteit van hun eigen stemkleur : "Mijn stemkleur stelt mij daar niet toe in staat" of nog : "Mijn techniek stelt mij daar niet toe in staat." (Een dirigent durft dan - in een onbewaakt moment, natuurlijk - al wel eens te denken : "Uw gebrek aan techniek stelt u daar niet toe in staat.")

In zijn boek 'A Guest in Cambridge' schrijft George Guest (decennialang het boegbeeld van het prachtige St-John's College Choir, Cambridge) dat elke zanger minstens twee stemmen zou moeten hebben ; twee uitersten, waartussen hij, na verloop van jaren, een heel gamma fijn geschakeerde varianten kan opbouwen. Een vergelijking met de spreekstem : de "officiële" stem die een spreker nodig heeft voor een voordracht voor een tamelijk groot publiek is totaal verschillend van de "intieme" stem die hij nodig heeft voor een rustig, binnenskamers gesprek met een goede vriend. Het gaat over een fundamenteel verschil : de ene stem is fundamenteel verschillend van de andere. Indien een gradueel verschil voldoende zou zijn, zouden we (om de sprong naar de zangstem terug te maken) volstaan met dynamische verschillen (piano - crescendo - forte).

Hier wringt de klassieke schoen soms wel eens. Hoe minder ervaren een zanger is, hoe groter - over het algemeen - zijn mentale bereidheid tot het differentiëren van het stemgebruik: tot het imiteren van allerlei personen, karakters, stemmen; tot het inschakelen van de verbeelding. Doch tevens hoe kleiner zijn technische bagage ondertussen wel blijft om deze differentiatie vocaal echt goed te onderbouwen. Naarmate een zanger zich zekerder begint te voelen van "zijn techniek", ontstaat dikwijls meer en meer het gevaar, dat hij, nu hij "zijn stem" ontdekt heeft, tot elke prijs en in alle omstandigheden wil vasthouden aan die "eigen stem", en daardoor minder geneigd is zich in te leven in andere situaties, personen, karakters, stemmen.

Het gaat dus om een dubbele problematiek : enerzijds de mogelijkheid tot inleving, tot verbeelding ; anderzijds de vocale scholing om de meest tegenstrijdige eisen van de verbeelding waar te maken.

 

Filosofie van het langzame leven

In de inleiding schreef ik het reeds: in een radiokoor moet soms zeer snel gewerkt worden. De koorleden presenteren soms reeds bij de eerste lezing een nagenoeg perfect notenbeeld. Dan moet ge als dirigent ook gewoon perfect voorbereid zijn: over elk detail van de partituur moet ge thuis in uw werkkamer reeds een beslissing genomen hebben. Het koor verlangt dan gewoon klare, technische informatie over die beslissingen. Koorleden voelen onmiddellijk aan of ge weet wat ge wilt, dan wel of ge aan het improviseren, soms zelfs aan het zwalpen zijt. Toch accepteren ze dat ge in sommige gevallen iets wilt uitproberen alvorens tot een definitieve beslissing te komen. Zoals een pianist ook allerhande interpretaties kan uitproberen aan zijn piano, zo moet een dirigent ook af en toe iets op zijn koor kunnen "uitproberen".

Bij amateurkoren ligt dat natuurlijk anders, rustiger. De "filosofie van het langzame leven": de machine wordt uit elkaar genomen, elk detail samen met de koorleden onderzocht, en helemaal afgesteld. Wanneer elk onderdeel goed geolied is, wordt de machine stukje bij beetje opnieuw in elkaar gezet. Zo ontstaat langzamerhand een groter geheel. Op die manier heeft de dirigent ook meer tijd om een interpretatie te laten groeien, te laten rijpen.

Beide manieren van werken hebben hun potentiële voordelen én gevaren. Om een vergelijking aan Paul Schollaert te ontlenen: ik ervaar het als enorm verrijkend voeling te hebben met zowel het straalvliegtuig als de fiets. De wederzijdse beïnvloeding doet voortdurend deugd : in het radiokoor eens rustig het vergrootglas bovenhalen is al even verfrissend als in het Madrigaalkoor een onverwachte duik nemen naar de vijfde versnelling.

 

Johan Duijck

 


© v.z.w. Gents Madrigaalkoor