|
Johan staat achter de piano en hij doet wonderlijke dingen. Met
zijn armen, met zijn blik, met die piano ook. Maar vooral met zijn expressie,
zijn ogen. Ze lachen soms naar mij, die ogen, denk ik, maar misschien lachen ze
wel naar Jos. Of misschien lachen ze wel mét mij naar Jos, of naar Steven met
Jos. Over mij. Ik weet dat niet zo goed, en dat vind ik best.
Johan speelt nu de altpartij voor. D.w.z., hij speelt alle
stemmen, maar zó dat de altpartij op de eerste rij staat. Dat is niet hetzelfde
als luider. Ik vind dat heel knap maar soms droom ik dan weg, of ga ik stiekem
het eerste blad van het boekje lezen, of tel ik de kruisen in de sopraansolo op
pagina 12, of vraag ik me af wat Christus aan het kruis achter Johan van onze
wereld vindt. Dat mag allemaal niet, ik moet alles oplettend mee volgen, en het
dient ook nergens toe. Toch laat ik het gebeuren.
We nemen een nieuwe passage door. Nog nooit gezongen, daar gaan
we, ieder voor zich, samen door het oerwoud. Luide stemmen overwinnen
onzekerheid, in het duister worden septiemakkoorden gechargeerd, triolen
vertrappeld, maar we halen de open vlakte in triomf.
|
Maar meteen leidt Johan
ons terug naar het laatste stukje bos, en zie, daar ligt in maat 14, slipperig
en wel, een kiezelbeekje te glinsteren. Hij wijst ons de keien aan om droog
over te steken, de fijne kristallijnen zestienden in de sopraan, de gelaagde
glooiing van een hemiool. Tijd wordt ritme, life is music.
Katrien draait zich half naar mij toe en reikt me stilletjes een
blad aan. Lees dat eens na, lipt haar geluidloze mond. Een brief naar
een sponsor. Ik laat hem voorzichtig tussen mijn partituur schuiven en probeer
onopvallend te lezen, maar al meteen valt er een tweede zending binnen. Een
foto. Website, spelt Katrien achter haar hand. Een zwartwitfoto van een
dirigerende Johan in een of andere kerk. Barok, een paar jaar geleden, lijkt
me. Of neen, kan het… Ik merk dat Geert en Jos scheefgezakt op hun stoel naar
de foto loensen. Tegelijk voelt heel mijn lichaam hoe de beweging achter de
piano op een beklemmende manier stil valt. De ogen achter die piano boren zich
in die van mij. Niet in die van Jos, in die van mij. Ik zit in
het tweede leerjaar.
En heb ik toch weer mijn benen over elkaar geslagen,
zeker.
Marc Cabus
|